Direct naar inhoud

Epilepsie bij de toypoedel: wat je doet tijdens en na een aanval

Lotte Bakker

Geschreven door Lotte Bakker

Epilepsie bij de toypoedel: wat je doet tijdens en na een aanval

Je toypoedel ligt te dutten op de bank en ineens klopt er iets niet. Hij valt op zijn zij, de pootjes maken trappelbewegingen, hij kwijlt, plast misschien. Een minuut later staat hij wankel op en kijkt alsof hij niet weet waar hij is. Wie dat voor het eerst ziet, schrikt zich een hoedje. Dit artikel gaat over wat je op dat moment doet, wat er daarna gebeurt bij de dierenarts en wat epilepsie bij de poedel betekent.

Een aanval is niet altijd epilepsie

Een epileptische aanval is een kortsluiting in de hersenen. Dat kan drie soorten oorzaken hebben. Soms zit het probleem buiten de hersenen, bijvoorbeeld een vergiftiging of een te lage bloedsuiker. Soms zit er iets in de hersenen zelf, zoals een ontsteking of een tumor. En als er geen oorzaak te vinden is, heet het idiopathische epilepsie, oftewel 'echte' epilepsie.

Juist bij een toypoedel moet je aan die eerste groep denken. Een pup van een paar weken oud heeft weinig reserves en kan bij stress of een overgeslagen maaltijd een te lage bloedsuiker krijgen. Dat begint met trillen, sloomheid en wankelen en kan uitlopen op stuipen. Lees daarover meer bij de eerste nachten met je pup. Ook giftige dingen als xylitol of chocolade kunnen bij een hond van 3 kilo aanvallen geven; zie wat een toypoedel niet mag eten.

Tijdens de aanval: wat je wel en niet doet

Je kunt een aanval niet stoppen. Je kunt er wel voor zorgen dat je hond zich niet bezeert en dat de dierenarts straks zoveel mogelijk informatie heeft.

  • Blijf rustig en maak ruimte: schuif stoelen en tafeltjes weg, houd hem weg van de trap of de bankrand.
  • Niet vasthouden en geen handen in de bek. Een hond slikt zijn tong niet in. Zijn kaken klemmen wel hard, en hij kan je onbedoeld flink bijten.
  • Kijk op de klok. Een aanval voelt eindeloos, maar duurt meestal tussen een halve minuut en een paar minuten.
  • Film als het lukt. Beelden zeggen de dierenarts meer dan elke beschrijving.
  • Daarna: rust. Veel honden zijn na een aanval een tijdje verward, onrustig of blind-achtig. Houd het stil en donker en laat hem bijkomen.

Bel direct een (spoed)dierenarts als de aanval langer dan 5 minuten duurt, als er meerdere aanvallen achter elkaar komen zonder dat hij ertussen bijkomt, of als het de eerste aanval ooit is en je hond daarna niet snel opknapt. Een langdurige aanval of een reeks aanvallen is een noodgeval.

Aanvallen komen vaak in rust, 's nachts of juist als je weg bent. Een huisdiercamera laat je terugkijken wat er gebeurde. Dat helpt ook als je je hond een paar uur alleen thuis laat.

De diagnose: uitsluiten

Voor echte epilepsie bestaat geen test. De dierenarts stelt de diagnose door andere oorzaken uit te sluiten. Volgens de internationale richtlijn van de veterinaire epilepsiewerkgroep (IVETF) past idiopathische epilepsie bij een hond die minstens twee aanvallen heeft gehad met minstens 24 uur ertussen, bij wie de eerste aanval tussen 6 maanden en 6 jaar oud viel, en die tussen de aanvallen door bij lichamelijk en neurologisch onderzoek normaal is. Bloed- en urineonderzoek moeten dan geen afwijkingen laten zien.

Begint het jonger dan 6 maanden of ouder dan 6 jaar, of zijn er afwijkingen tussen de aanvallen door, dan is de kans op een andere oorzaak groter. Dan volgt meestal een MRI-scan en soms onderzoek van het hersenvocht bij een specialist. Bij een oudere toypoedel die ineens aanvallen krijgt, is dat dus een serieus gesprek.

Houd vanaf de eerste aanval een logboek bij: datum, tijd, duur, wat je zag en hoe lang het bijkomen duurde. Daarop baseert de dierenarts straks of en wanneer behandeling nodig is.

Behandelen: minder aanvallen, niet altijd nul

Na één losse aanval wordt meestal nog niet behandeld. Reden om met medicatie te starten zijn onder meer twee of meer aanvallen binnen een half jaar, een reeks aanvallen kort na elkaar, of een aanval die lang duurt. In Nederland zijn onder andere fenobarbital en imepitoïne (Pexion) gangbare middelen, op recept van de dierenarts.

Eerlijk is eerlijk: het doel is minder en lichtere aanvallen. Een deel van de honden wordt aanvalsvrij, maar lang niet allemaal, en de behandeling is vaak levenslang. Geef de medicijnen op vaste tijden; een weekdoos voorkomt dubbele of vergeten doses. Bij een hond van een paar kilo moet een tablet vaak gedeeld worden; doe dat alleen zoals de dierenarts voorschrijft. En stop nooit zelf: abrupt stoppen kan juist een zware aanval uitlokken. Regelmatige bloedcontroles horen erbij.

Heb je een hondenverzekering, kijk dan hoe die omgaat met chronische en erfelijke aandoeningen en met klachten die al bestonden voor de ingangsdatum.

Erfelijk, en wat dat voor de fokker betekent

Bij de poedel speelt erfelijkheid een rol. Bij de grote poedel is in Amerikaans stamboomonderzoek een familiaire vorm van epilepsie beschreven. Voor de toypoedel is er minder onderzoek, maar in een Japanse studie naar 70 honden met idiopathische epilepsie was de toypoedel met 16 honden het ras dat het vaakst voorkwam. Een DNA-test bestaat niet.

Het uitgangspunt in de Nederlandse kynologie is daarom helder: met een hond met vastgestelde epilepsie wordt niet gefokt, en een geval hoort gemeld te worden bij de fokker en de rasvereniging. Krijgt jouw stamboompoedel epilepsie, laat het de fokker dus weten. Daar helpt je de volgende pupkopers mee. Omdat er geen test is, moet je er bij het kopen zelf naar vragen. Een goede fokker weet of epilepsie in de lijnen is voorgekomen en zegt dat eerlijk. Een broodfokker die nooit iets terughoort van zijn pupkopers, weet het simpelweg niet. Het hoort in hetzelfde rijtje als de andere punten in het overzicht van gezondheid bij de toypoedel.

Kort samengevat

  • Niet elke aanval is epilepsie. Bij een toypoedel-pup is een te lage bloedsuiker een bekende andere oorzaak.
  • Tijdens een aanval: ruimte maken, niet vasthouden, geen handen in de bek, klok kijken en filmen.
  • Langer dan 5 minuten of aanvallen achter elkaar: direct naar een (spoed)dierenarts.
  • De diagnose is uitsluiten: onderzoek, bloed en urine, en bij twijfel een MRI.
  • Medicatie geeft minder aanvallen, maar is vaak levenslang. Nooit zelf stoppen.
  • Erfelijk, zonder DNA-test: niet fokken met een hond met epilepsie en het altijd melden bij de fokker.

Veelgestelde vragen

Wat moet ik doen als mijn poedel een epileptische aanval krijgt?

Blijf rustig, haal spullen weg waaraan je hond zich kan bezeren en houd hem weg van de trap. Houd hem niet vast en steek je handen niet in zijn bek: een hond slikt zijn tong niet in, maar kan je onbedoeld hard bijten. Kijk op de klok en film de aanval als dat lukt. Duurt de aanval langer dan 5 minuten, of volgt de ene aanval op de andere, bel dan direct een (spoed)dierenarts.

Is epilepsie bij de poedel erfelijk?

Bij een deel van de honden wel. Bij de grote poedel is in stamboomonderzoek een erfelijke vorm beschreven, en in een Japanse studie was de toypoedel het ras dat het vaakst voorkwam onder honden met idiopathische epilepsie. Er bestaat geen DNA-test. Met een hond met vastgestelde epilepsie wordt daarom niet gefokt.

Hoe stelt de dierenarts epilepsie vast?

Door andere oorzaken uit te sluiten. De dierenarts doet lichamelijk en neurologisch onderzoek en bloed- en urineonderzoek. Bij een eerste aanval jonger dan 6 maanden of ouder dan 6 jaar, of bij afwijkingen tussen de aanvallen door, volgt vaak een MRI-scan bij een specialist.

Moet een poedel met epilepsie levenslang medicijnen?

Vaak wel. Het doel van de behandeling is minder en lichtere aanvallen; niet elke hond wordt helemaal aanvalsvrij. Stop nooit zelf met de medicatie, want abrupt stoppen kan juist een zware aanval uitlokken. Afbouwen gebeurt alleen in overleg met de dierenarts.